Ik hoor mezelf hijgen. Het zweet loopt over mijn voorhoofd. Mijn haar in mijn nek is intussen zeiknat. Mijn rugzak plakt op mijn rug, en ik voel een paar druppels mijn decolleté in zakken… Ik stop. Zak neer op een steen. Wil om me heen kijken maar kan niet. Voorovergebogen probeer ik mijn ademhaling onder controle te krijgen. En ik denk alleen maar: ‘WHAT was I thinking! Dit gaat hem niet worden. We zijn nog maar een half uur onderweg. HOE kan mijn conditie in dat half jaar blessure ZO gekelderd zijn? HOE dan? HOE dan?’

 

Het liefst zou ik mijn wandelstokken de berg af gooien. Maar dan hebben we pas echt een probleem. Want die rotdingen heb ik deze vakantie hard nodig om überhaupt te kunnen wandelen in de bergen.

 

Lichte paniek

Niet alleen mijn ademhaling vraagt om controle maar ook mijn hoofd. Er ontstaat een lichte paniek. Jeetje wat is het hier steil. Ga ik het redden naar de top? Maar nog veel erger: red ik het daarna weer naar beneden? Wat als ik me misstap? Dan zit ik hier op die berg, met die klote-enkel van me. Geen hulpdienst die hier kan komen. Lekker dan. “Ik ga terug. Leuk bedacht dit, maar niet dus. Volgend jaar dan maar.”

 

Zullen we weer?

Inmiddels zie ik mijn kids niet meer, die gaan als rasechte klimgeiten die berg op. Manlief wacht op gepaste afstand en geduldig op me. Hij steekt zijn hand uit: “Zullen we weer?” Ik sta op.

 

En zo gaan we. Een paar minuten wandelen. Een minuutje op adem komen. Een paar minuten wandelen. Een minuutje op adem komen. Een paar minuten wandelen. Een minuutje op adem komen. Een paar minuten….

 

In die paar minuten wandelen is mijn blik naar beneden gericht. Constant. Zodat ik zeker weet dat ik mijn voet goed neerzet en ik niet kan zwikken. In die minuut pauze strek ik mij uit, en kijk om mij heen. Ik laat mij verrassen door de pracht van de Dolomieten. Wat is het hier mooi. Zo ruw. Zo stil. Zo verlaten. Zo mooi.

 

Dit pakt niemand mij meer af!

En dan is daar ineens die top. Ik trek een droog shirt aan en kies het mooiste plekje om van het uitzicht te genieten. Ik voel mijn benen trillen van vermoeidheid. En een borrel in mijn buik: “Dit heb ik maar mooi voor elkaar. Dit pakt niemand mij meer af.”

 

Een uur later dalen we af. Stap voor stap. Op een rustig tempo. Tussendoor stoppen hoeft niet meer. Wel heb ik af en toe een helpende hand van manlief nodig. Als de overstap tussen twee rotsen net te groot is om af te zetten of te landen met die instabiele enkel. Of als er geen vlak stukje steen te vinden is om mijn voet stabiel neer te zetten.

 

Bij de auto trekken we een pak koek open en een nieuwe fles water. Vol trots kijk ik naar mijn gezin. Dit doen we dan toch maar weer mooi samen.

 

Opgeven is geen optie

En ik realiseer mij dat ik heel dicht bij opgeven was vandaag. Echt heel dichtbij. En dat ken ik niet van mezelf. Tuurlijk bedenk ik mij wel eens dat dingen ook wel eens makkelijker zouden mogen. Tuurlijk vraag ik mij wel eens af of ik al mijn inspanningen om ergens te komen in verhouding vind staan tot het resultaat. Tuurlijk twijfel ik wel eens. Maar opgeven? Nee, dat zal ik niet snel.

 

Stap voor stap

En ik weet dat wat er vandaag gebeurde precies is hoe ik mijn kindercoachpraktijk – en later Jouw succes-PRAKTIJK! tot een succes wist te maken. Ik visualiseer waar ik naar toe wil. Hak dat einddoel op in kleine stukjes. En begin stap voor stap in die richting van dat eerste tussendoel. Ik staar mij niet blind op het einddoel, ook niet op het tussendoel, ik geniet van elke stap. En als het even tegenzit – en ja, dat zit het met regelmaat – dan kijk ik hoever ik ben gekomen. Geniet van alles dat ik heb bereikt. Kom even op adem. Kijk vervolgens naar de vervolgstap die ik heb te zetten. Kan ik dat alleen, of heb ik hulp nodig.  En zet de volgende stap. En de volgende. En de volgende.

 

En weet je, dat kan jij ook! Neem vandaag even de tijd om te mijmeren; hoe ziet die droompraktijk van jou eruit? En welke stap kun jij vandaag nog zetten – hoe klein ook – in de richting van dat doel? Veel plezier!

 

 

Klaar voor de start